Propolis
/
10:21 am

Geschiedenis

Bijen en Propolis

Propolis is het geheime wapen van de bijen. Dit mystieke, kleverige goedje heeft ervoor gezorgd dat bijenkolonies zich al duizenden jaren kunnen weren tegen ziektes. Bijen leven samen in grote groepen, vaak tussen de 30.000 en 50.000 individuen, allemaal op een klein oppervlak. Zonder een goede bescherming tegen ziekteverwekkers zouden deze kolonies snel in gevaar komen. Een paar zieke bijen kunnen al snel een ziekte-uitbraak veroorzaken.

Bijen verzamelen propolis en bewerken deze gedeeltelijk met hun eigen afscheidingen, zoals was en speeksel. Deze plantaardige hars gebruiken ze om de toegang tot hun korf af te sluiten en hun kolonie te beschermen. Daarnaast dient propolis als bouwmateriaal voor het verstevigen, repareren, isoleren en beveiligen van de bijenkorf.

Bovendien vervult propolis verschillende verdedigingsfuncties voor het menselijk lichaam, waardoor het niet alleen voor bijen, maar ook voor mensen van grote waarde is. Al eeuwen geleden, rond het begin van onze jaartelling, begreep men de waarde van propolis als een beschermend middel voor de bijen en hun huis.

Voorheen dacht men dat bijen propolis vooral inzetten om hun nest te beschermen tegen externe factoren, zoals ongunstige weersomstandigheden. Uit onderzoek is echter gebleken dat dit kleverige materiaal meerdere functies vervult. Het helpt niet alleen om trillingen binnen het nest te verminderen, maar ook om schadelijke micro-organismen buiten te houden en de stabiliteit van de neststructuur te versterken.

Oude beschavingen

Oude Perzische manuscripten beschrijven propolis als een geneeskrachtig middel dat werd gebruikt om eczeem, spierpijn en reuma te behandelen.

Ook in de Bijbel wordt een vergelijkbare balsem genoemd: de ‘zalf van Gilead’, een kostbaar geschenk van de koningin van Sheba aan koning Salomo. Vermoedelijk bevatte deze zalf ingrediënten die overeenkomen met propolis en werd ze gewaardeerd om haar helende eigenschappen.

De geneeskrachtige eigenschappen van propolis werden al in de Griekse oudheid erkend. De Oude Grieken hadden veel respect voor bijenteelt en maakten volop gebruik van de helende kracht van propolis. Ze pasten het niet alleen toe bij de behandeling van wonden, maar gebruikten het ook tegen ziekten die in die tijd als ongeneeslijk werden beschouwd.

De betekenis van het woord ‘propolis’ weerspiegelt dit beschermende karakter. Het is afgeleid van de Griekse woorden ‘pro’, wat ‘voor’ of ‘ter bescherming van’ betekent, en ‘polis’, wat ‘vesting’ of ‘burcht’ betekent. Dit verwijst niet alleen naar een stad of poort, maar ook naar de ingang van de bijenkorf, waar bijen propolis gebruiken om hun nest te beschermen tegen indringers en ziektekiemen. Zo speelde propolis zowel in de natuur als in de geneeskunde een essentiële rol.

In het Oude Egypte hielden priesters zich niet alleen bezig met bijenteelt vanwege de waardevolle honing, maar ontdekten ze ook de bijzondere eigenschappen van propolis. Deze harsachtige stof bleek niet alleen geneeskrachtig, maar had ook sterke conserverende eigenschappen. Daarom gebruikten de Egyptenaren propolis bij het balsemen van mummies om hun lichamen beter te bewaren.

Bijen hadden in de Egyptische cultuur een diepere, religieuze betekenis en stonden symbool voor moed en waardigheid. Naast hun rol in het balsemproces werd propolis ook als medicijn ingezet tegen allerlei aandoeningen, waardoor het een belangrijk onderdeel werd van de Egyptische geneeskunde.

Ook de Romeinen hechtten grote waarde aan bijen en maakten op grote schaal gebruik van propolis. Volgens een oude legende zou de god Jupiter de beeldschone Melissa hebben getransformeerd in een bij, zodat zij dit wonderbaarlijke geneesmiddel kon produceren.

Meer dan 15 Griekse en Romeinse schrijvers verwezen in hun werken naar het ‘derde natuurlijke product van bijen’, naast honing en was.

Dioskorides, een Griekse arts en farmacoloog uit de 1e eeuw na Christus, beschreef in zijn invloedrijke werk De Materia Medica het gebruik van propolis. Hij omschreef het als een geurige, gele bijenlijm en adviseerde een zachte, makkelijk smeerbare variant – vergelijkbaar met mastiek, een aromatische hars uit de mastiekboom (Pistacia lentiscus) die in de oudheid werd gebruikt voor medicinale en culinaire toepassingen. Dioskorides schreef propolis met name aan als wondhelend middel en gebruikte het bijvoorbeeld voor het verwijderen van splinters en doorns, het verzachten van chronische hoest en het genezen van huidziekten zoals lichen.

Dioskorides’ werk heeft eeuwenlang als standaardreferentie gediend voor de kennis over natuurlijke geneesmiddelen en wordt nog steeds gewaardeerd in de studie van kruidengeneeskunde en apitherapie.

Medische pioniers

Hippocrates (circa 460 v.Chr. – 370 v.Chr.) , arts en grondlegger van de moderne geneeskunde, ook wel de “vader van de geneeskunde” genoemd, schreef propolis voor bij de genezing van wonden en zweren, zowel voor inwendig als uitwendig gebruik.

In zijn Historia Animalium beschreef de filosoof Aristoteles (384 v.Chr. – 322 v.Chr.) gedetailleerd hoe bijen propolis toepasten binnen hun korf.

Plinius de Oudere, een Romeinse historicus, beschreef in zijn Naturalis Historia de vele medische toepassingen van propolis. Volgens hem had propolis de kracht om wonden te genezen en pijn te verlichten. Artsen gebruikten het zelfs om splinters en andere ingesloten voorwerpen uit het bindweefsel te verwijderen. Daarnaast vermeldde Plinius dat propolis effectief was in het verminderen van zwellingen, het verzachten van eelt en spierpijn, en het genezen van wonden die anders moeilijk te behandelen waren.

In de middeleeuwen verdween het gebruik van propolis uit de officiële geneeskunde, waarschijnlijk door de opkomst van andere behandelingsmethoden en de veranderende medische benaderingen. Ondanks deze afname bleef de belangstelling voor propolis echter bestaan. In de 12de eeuw werden er nog enkele manuscripten bewaard waarin propolis werd gebruikt in medicijnen voor keel- en mondinfecties en voor het verwijderen van tandaanslag.

In de 16de eeuw, in 1579, beschreef John Gerard in zijn werk History of Plants propolis als een middel dat een snelle en effectieve genezing bevorderde. In dit beroemde kruidenboek verwees Gerard ook naar het gebruik van de hars van de zwarte populier in helende zalven, waarmee hij de toepassing van natuurlijke stoffen in de geneeskunde benadrukte.

Nicolas Culpeper, een invloedrijke Engelse kruidkundige uit dezelfde periode, benadrukte in zijn Compleat Herbal de effectiviteit van propolis bij de behandeling van koorts, ontstekingen en brandwonden.

In Engelse geneesmiddelenhandboeken uit de 17de eeuw komt propolis voor als een ingrediënt in veel verschillende zalven.

Hoewel het gebruik van propolis in de formele geneeskunde afnam, bleef de kennis over de geneeskrachtige werking van de stof voortbestaan in de volksgeneeskunde, vooral in Oost-Europa. In deze regio werd propolis zelfs aangeduid als ‘de Russische penicilline’, vanwege het wijdverbreide gebruik als een belangrijk geneeskrachtig middel voor de behandeling van diverse aandoeningen.

Kennis over propolis neemt toe

Aan het begin van de 19de eeuw begonnen wetenschappers zich steeds meer te verdiepen in de eigenschappen van propolis. Ondanks deze wetenschappelijke belangstelling werd het echter door de opkomst van de moderne geneeskunde grotendeels over het hoofd gezien. Pas in de afgelopen decennia is de medische wetenschap, met name in Oost-Europa, zich opnieuw gaan richten op de therapeutische werking van propolis en wordt de waarde ervan als natuurlijk geneesmiddel weer erkend.

Aan het begin van de 19de eeuw begon de Franse apotheker en scheikundige Nicolas Louis Vauquelin propolis te bestuderen. Hij beschreef het als een kneedbare, aromatische, roodbruine stof die zacht werd bij de warmte van de vingers, smaakloos was en zelfs tussen de tanden gekauwd kon worden.

Rond 1815 onderzocht Michel Chevreul de chemische samenstelling van flavonoïden, een groep fytochemicaliën die in veel planten voorkomen, waaronder in propolis. Dit onderzoek was nauw verbonden met de ontwikkeling van de scheikunde en droeg bij aan het begrip van de eigenschappen van propolis.

Aan het begin van de 20ste eeuw begon men de chemische samenstelling van propolis te onderzoeken. De eerste pogingen om dit te achterhalen, waren relatief eenvoudig en werden gedaan door stoffen uit propolis te scheiden met alcohol, chloroform en ether. In een van de eerste studies beschreven de onderzoekers Dietrich en Helfenberg hun methoden voor het extraheren van bestanddelen uit propolis. In 1911 ontdekte Dietrich vanilline in propolis, terwijl de Duitse onderzoeker Küstenmacher kaneelzuur en cinnamylalcohol identificeerde als componenten van de stof.

In 1927 bevestigde de Duitse wetenschapper Rösch de theorie van Plinius dat propolis afkomstig is van plantknoppen. Kort daarna, in de Verenigde Staten, werden door een reeks studies kleine hoeveelheden vitamine B1, B2, B6, C en E in propolis aangetroffen. In 1957 ontdekte Usjkalova vier verschillende soorten was in propolis, elk met een andere kleur.

Gedurende deze tijd werd aangenomen dat propolis een complexe maar constante samenstelling had, vergelijkbaar met bijenwas. In de jaren zestig bleek echter uit geavanceerde laboratoriumtechnieken en de analyse van verschillende monsters van propolis uit verschillende regio’s, dat de samenstelling van propolis sterk varieerde, afhankelijk van de geografische locatie en de gebruikte planten.

In de jaren veertig werd het eerste systematische onderzoek naar de antibacteriële eigenschappen van propolis uitgevoerd door Kivalkina, die ontdekte dat propolis in staat was stafylokokken en tyfusbacteriën te doden. In 1967 bleek uit het werk van Lindenfelser in de VS dat propolis de groei van 25 van de 39 bacteriën en 20 van de 39 schimmels die hij testte, remde. Rond dezelfde tijd werden er ook experimenten in Polen en Duitsland uitgevoerd, die aantoonden dat veel verschillende bacteriegroepen gevoelig zijn voor propolis.

In de jaren zeventig werden er met behulp van efficiëntere methoden, zoals kolomchromatografie, steeds meer chemische componenten uit propolis geïsoleerd. In een typisch monster uit Europa werden gemiddeld 50 verschillende stoffen gevonden, die meestal afkomstig waren van bomen, maar die varieerden afhankelijk van de regio en de aanwezige vegetatie.

In de periode tussen 1967 en 1973 werden in Denemarken belangrijke onderzoeken uitgevoerd die spectaculaire resultaten opleverden. De bioloog Karl Lund Aagard, die bekend werd als ‘Dokter Propolis’, onderzocht de effecten van propolis bij meer dan 50.000 patiënten. Hij concludeerde dat propolis effectief is tegen vele aandoeningen en vrijwel geen bijwerkingen heeft. In 1976 patenteerde hij een methode om propolis op een zuivere manier uit bijenkorven te halen.

Propolis heeft een even lange geschiedenis als honing en wordt al eeuwenlang door mensen gewaardeerd om zijn geneeskrachtige eigenschappen. Van de oude beschavingen tot de moderne tijd, deze natuurlijke stof heeft zijn waarde bewezen als veelzijdig geneesmiddel, waarbij het altijd een belangrijke rol heeft gespeeld in de gezondheidszorg door de eeuwen heen.

Nu aanmelden